Zoekmotor  



Zoeken van A tot Z
Siteplan
U bevindt zich hier: FAVV > Beroepssectoren > Levensmiddelen > Additieven DE   •   FR   •   NL   •   EN  

Startpagina Over het FAVV Contact Beroepssectoren Autocontrole Checklists "Inspecties" Dierlijke productie Erkenningen, toelatingen en registratie Export naar derde landen Financiering van het FAVV Invoer derde landen Laboratoria Levensmiddelen Meldingsplicht Ombudsdienst voor de operatoren Plantaardige productie Wetgeving Zelfstandige dierenartsen Consumenten Raadgevend Comité Wetenschappelijk Comité Publicaties Praktisch

 
 
   
Additieven

FAQ

  1. Wat zijn voedingsmiddelenadditieven?
  2. Waarom worden additieven gebruikt? En hoe zijn ze gereglementeerd?
  3. Zijn de additieven gevaarlijk voor de gezondheid?
  4. Zijn er alternatieven voor additieven?
  5. Kan ons voedsel nog andere vreemde stoffen bevatten naast de bewust toegevoegde additieven?
  6. Wat doet de voedingsindustrie om de aanwezigheid van vreemde stoffen te verminderen?
  7. Hoe gebeurt risico-evaluatie en hoe worden maximale toegelaten gehalten vastgelegd?
  8. Wie legt de maximale gehalten voor vreemde stoffen in voedingsmiddelen vast?

Zie ook: Additieven in de levensmiddelen

1: Wat zijn voedingsmiddelenadditieven?

De omschrijving van voedingsmiddelenadditieven is heel precies. Het gaat om elke stof, met of zonder voedingswaarde, die op zichzelf gewoonlijk niet als voedsel wordt geconsumeerd en gewoonlijk niet als kenmerkend voedselingrediënt wordt gebruikt. Die stof wordt om technische redenen bij het vervaardigen, verwerken, bereiden, behandelen, verpakken, vervoeren of opslaan van voedingsmiddelen er bewust aan toegevoegd. Het gevolg, of het redelijkerwijs te verwachten gevolg is dat deze stof zelf, of haar derivaten, direct of indirect, een bestanddeel van deze voedingsmiddelen wordt. Het zijn dus producten die het fabricageproces van het voedingsmiddel vergemakkelijken, het uitzicht, de smaak of de voedingswaarde ervan verbeteren. De belangrijkste groepen additieven zijn kleurstoffen, bewaarmiddelen, anti-oxidantia, emulgeer-, geleer- en verdikkingsmiddelen, smaakversterkers en zoetstoffen. De ontwikkeling van additieven hangt rechtstreeks samen met de evolutie van de voedingsindustrie.

top

2: Waarom worden additieven gebruikt? En hoe zijn ze gereglementeerd?

Additieven worden om meerdere redenen gebruikt. Ze zijn er niet om een voedingsmiddel onnodig te belasten met allerlei (chemische) toevoegingen. De additieven zijn 'nuttig'. Dit nuttigheidsprincipe is trouwens één van de basisvereisten, naast veiligheid, waaraan een additief moet voldoen vooraleer het wettelijk wordt toegelaten. De additieven worden, zoals gezegd, o.m. gebruikt om voedsel beter te bewaren (conserveermiddelen, anti-oxidantia), om het oog te plezieren (kleurstoffen), om de smaak te verbeteren (smaakstoffen), om klontering tegen te gaan, enz. Een additief is niet per definitie een kunstmatige, scheikundig aangemaakte stof: het kan ook een 'natuurlijke' stof zijn die werd toegevoegd. Industrieel vervaardigd ascorbinezuur (E300) dat als anti-oxidans wordt gebruikt, is niets anders dan vitamine C. De additieven zijn Europees gereglementeerd. Hierbij wordt het principe van de strikt positieve lijst toegepast: men mag alleen het additief gebruiken dat in deze lijst vermeld staat en dat voor een specifiek voedingsmiddel en met inachtneming van de vermelde maximumdosissen. De boodschap is duidelijk: wat niet wettelijk toegelaten is, is verboden. De additieven zijn per groep gerangschikt volgens de functie die zij vervullen en hebben allemaal een code die van kracht is in alle landen van de Europese Unie. Deze code is samengesteld uit de letter E (voor Europa) gevolgd door drie (of vier) cijfers. Op het etiket staat altijd eerst de groepsnaam van het additief vermeld en daarna het E-nummer of de naam ervan. Bijvoorbeeld: 'kleurstof E162' dan wel 'kleurstof bietenrood'. In de dierenvoeding worden eveneens additieven gebruikt. Hierbij gelden dezelfde basisprincipes qua gebruik en reglementering als voor voedingsadditieven.

top

3: Zijn de additieven gevaarlijk voor de gezondheid?

Alleen additieven waarvan voldoende geweten is dat ze veilig zijn, zijn toegelaten. Enkel producten die de zeer strenge toelatingsprocedure met succes hebben doorlopen, worden toegelaten (zie vorige vraag). De evaluatie van de risico's gebeurt door het Europees Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding. Experten van de Wereldgezondheids- en Voedselorganisaties (WGO/FAO) zorgen op wereldvlak voor evaluaties. Zoals bij gewasbeschermingsmiddelen wordt op basis van het toxicologisch dossier een ADI-waarde vastgelegd (aanvaardbare dagelijkse inname). Bij de toelating van het gebruik in verschillende voedingsmiddelen wordt er op toegezien dat de consument de ADI-waarde niet kan overschrijden. Additieven zijn dus veilig. Het E-nummer duidt op het Europees toelatingsnummer en is dus een bewijs dat de veiligheidsevaluatie gunstig was. Er gelden bovendien nog zuiverheidcriteria voor de additieven. Enkel voor sommige additieven kan bij sommige mensen uitzonderlijk intolerantie optreden. Sommige mensen verdragen bijvoorbeeld slecht sulfiet. Sulfieten (codes E220 tot E228) zijn anti-oxidantia die gebruikt worden bij de bewaring van vis, schaaldieren, verwerkte aardappelproducten, gele rozijnen, witte wijn, enz.

top

4: Zijn er alternatieven voor additieven?

Ja. Producten zonder additieven kunnen wel andere karakteristieken hebben, bijvoorbeeld meer calorieën bevatten of minder lang houdbaar zijn, enz. Zo is het mogelijk voor het aanmaken van een frisdrank alleen suiker als zoetstof te gebruiken. Zo'n frisdrank bevat uiteraard meer calorieën. Aan gepelde garnalen wordt altijd een bewaarmiddel toegevoegd omdat deze anders te snel zouden bederven. Het alternatief is de garnalen 'vers' te kopen en zelf te pellen. Het gebruik van additieven is vermeld op het etiket zodat de consument zelf kan kiezen of hij (bepaalde) additieven wil vermijden.

top

5: Kan ons voedsel nog andere vreemde stoffen bevatten naast de bewust toegevoegde additieven?

Ja, dit kan. Zware metalen, dioxinen en PCB's of residu's van gewasbeschermingsmiddelen en dierengeneesmiddelen of nog andere stoffen, horen in dit rijtje ongewenste gasten thuis. Beschimmelde noten kan men best links laten liggen omwille van het mycotoxinegevaar. Bij de zware metalen gaat het vooral om lood, cadmium en kwik die via diverse kanalen het voedsel kunnen contamineren. Dioxinen afkomstig van verbranding, komen vrij in de natuur voor en kunnen eveneens hun weg vinden naar de voeding. Ook hier moeten strenge controles beletten dat normen overschreden worden. De PCB/dioxinecrisis van 1999 leert echter dat het mis kan lopen. Naast de genoemde stoffen kunnen ook restanten van schoonmaak- en/of ontsmettingsproducten de voedselveiligheid in het gedrang brengen. Daarom hanteert de voedingsindustrie zeer rigoureuze procedures voor de reiniging van de installaties en het gebruik van detergenten. De algemene hygiëne-eis bepaalt dat na reiniging of desinfectie, zodanig met drinkbaar water moet worden nagespoeld dat er geen resten van deze producten in de voedingsmiddelen terecht kunnen komen.. Voor de voedingsmiddelenfabricage bestaat een lijst met toegelaten ontsmettingsmiddelen.

top

6: Wat doet de voedingsindustrie om de aanwezigheid van vreemde stoffen te verminderen?

De voedingsindustrie heeft steeds meer oog voor de gevaren van contaminanten. Ze eist van de leveranciers onberispelijke producten. Ze werkt steeds vaker eigen voorschriften en lastenboeken uit voor haar leveranciers van grondstoffen en ziet nauwlettend toe op de strikte naleving ervan. Vele voedingsmiddelen worden gezuiverd door sortering, wassen, schillen, raffineren van olie enz. Droog bewaren is bv. ook een goede preventiemaatregel. Omdat de voedingsindustrie de HACCP-principes toepast, is er meer zelfcontrole.

top

7: Hoe gebeurt risico-evaluatie en hoe worden maximale toegelaten gehalten vastgelegd?

De manier van vastleggen is niet eenvoudig noch eenduidig. Veel hangt af van de stand van de wetenschap, de aard van de chemische stof én van de gesteldheid van de consument. Zo zal een gezonde volwassene in principe beter bestand zijn tegen een hoge dosis van een bepaalde stof dan bijvoorbeeld een peuter. Bij de vastlegging van de normen wordt daarmee rekening gehouden. Wetenschapslui voeren in labo's proeven uit en gebruiken daarbij o.a. 'proefdieren'. Na het doorlopen van deze test stellen ze een 'No Observed Effect Level' of NOEL vast. Dit is de hoogst mogelijke dosis van een stof die aan proefdieren kan worden toegediend zonder dat enig nadelig effect wordt waargenomen, uitgedrukt in mg per kilogram lichaamsgewicht per dag. Ver volgens bepaalt men hiermee, via een simpele omrekening, een 'aanvaardbare dagelijkse inname' (ADI) voor de mens. Dat is het werk van de overheid en meer bepaald van de wetenschappelijke adviesorganen. Daarbij gaan ze zeer omzichtig te werk om risico's voor de gezondheid maximaal in te schatten. De wetenschappelijke adviesorganen voeren ook een blootstellingschatting uit (inname door de consument) en vergelijken die met de aanvaardbare dagelijkse inname. Dan besluiten ze of er maatregelen, zoals het vaststellen van wettelijke maximale gehalten voor contaminanten, nodig zijn. Bij additieven, gewasbeschermingsmiddelen of dierengeneesmiddelen is het mogelijk om op basis van de wetenschappelijke evaluatie te besluiten of het gebruik toegelaten is of niet. De gehalten worden zo laag mogelijk vastgelegd. Voor additieven, dierengeneesmiddelen en gewasbeschermingsmiddelen moet het nut van het gebruik aangetoond zijn en mag er niet meer worden gebruikt dan nodig, waarbij een gebruik niet toelaten is indien daardoor de ADI overschreden zou worden (zie ook 5 over MRG's). Voor andere contaminanten (milieucontaminanten en mycotoxinen) worden maximale gehalten vastgelegd volgens het internationale ALARA-principe (As Low As Reasonably Achievable), d.w.z. de gehalten moeten zo laag mogelijk zijn, maar wel technisch te realiseren. De zorg voor de volksgezondheid staat daarbij voorop. Preventiemaatregelen zijn uiteraard eveneens belangrijk.

top

8: Wie legt de maximale gehalten voor vreemde stoffen in voedingsmiddelen vast?

De maximale gehalten in voedingsmiddelen worden vastgelegd door de beleidsorganen van Europa en België op basis van wetenschappelijke adviezen en andere gewettigde factoren. De Europese Commissie stippelt, samen met de lidstaten, een groot pakket eigen regels uit die dan in alle lidstaten afdwingbaar zijn. In eigen land vertegenwoordigt de federale overheidsdienst Volksgezondheid (het vroegere ministerie van Volksgezondheid) België bij de Europese besprekingen en vertaalt zo nodig die Europese normen in Belgische wetgeving. België heeft dus wel degelijk mee inspraak in de Europese wetgeving maar moet uiteraard rekening houden met de andere Europese landen. België heeft ook nog een aantal nationale normen die nog niet Europees geharmoniseerd zijn. De controles op de naleving van de vastgestelde normen behoort tot de verantwoordelijkheid van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

 



Laastste update: 17.02.2011

Wenst u mee te weten over additieven?

Raadpleeg de site van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de voedselketen en leefmilieu





Gebruiksvoorwaarden & disclaimer    |   Copyright © 2012 FAVV-AFSCA. Alle rechten voorbehouden.