De bijenhouder vermoedt dat zijn volken zijn aangetast of besmet door een van de in punt 2. vermelde aangifteplichtige ziekten.
Hij moet in dat geval hiervan onmiddellijk aangifte doen bij de Provinciale Controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt. Ingeval het korven betreft die op een andere plaats zijn uitgezet, betreft het de PCE van de plaats waar ze zich bevinden.
De bijenhouder stelt abnormale sterfte bij zijn bijenvolken vast en kan de oorzaak daarvan niet achterhalen.
Hij moet in dat geval onverwijld en uit eigen beweging een monster (30 bijen) opsturen aan het nationaal referentielaboratorium CODA, Groeselenberg, 99 - 1180 Ukkel. In dit geval staat hij zelf in voor de analysekosten.
2 Aangifteplichtige ziekten en schadelijke organismen (KB 25 april 1988)
Acariose, Amerikaans vuilbroed, Europees vuilbroed, varroase, de kleine bijenkastkever (Aethina tumida) en de tropilaelapsmijt zijn de ziekten of schadelijke organismen die zijn vermeld in het KB van 25 april 1988 tot aanwijzing van de dierenziekten die vallen onder de toepassing van hoofdstuk III van de dierengezondheidswet van 24 maart 1987. Het gaat om zgn. « aangifteplichtige ziekten »
Elke bijenhouder wiens kolonies ervan verdacht worden aangetast of besmet te zijn door een van deze ziekten moet hiervan onmiddellijk aangifte doen bij de Provinciale Controle-eenheid (PCE) (waarvan de bijenstand afhangt.
2.1 Amerikaans vuilbroed
Verwekker
Amerikaans vuilbroed is een bijenziekte die wordt overgebracht door een sporenvormende bacterie, Paenibacillus larvae larvae. De sporen kunnen zelfs in extreme omstandigheden (droogte en koude) gedurende tientallen jaren overleven. Jonge larven (tot 2 dagen) zijn het gevoeligst voor de ziekte. Oudere larven worden alleen aangetast bij een vrij hoge infectiedruk. Volwassen bijen worden helemaal niet aangetast maar geven de ziekteverwekker wel door. Amerikaans vuilbroed kan de productiviteit gevoelig doen dalen en het bijenvolk doen wegkwijnen.
Symptomen De volgende symptomen kunnen wijzen op Amerikaans vuilbroed:
dun broed met gesloten cellen, open cellen en cellen met resten van aangetaste larven,
cellen met ingezonken celdeksel,
openingen in een aantal celdeksels,
celdeksels zijn donkerder van kleur dan normaal,
gronderige leemachtige geur,
inhoud van aangetaste cellen is dradentrekkend en stroperig (luciferproef),
Verspreiding Besmetting via de sporen kan gebeuren bij:
het voeren van besmette honing of besmet stuifmeel,
het binnenbrengen van vreemde bijen,
gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal,
het zwermen.
De sporen worden overgebracht door het poetsgedrag van de bijen en tijdens het voeden van de larven.
Preventie en bestrijding Het risico op besmetting kan op een aantal manieren worden verminderd:
niet voeden met honing of stuifmeel van onbekende oorsprong,
geen raten of ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
nagaan of het broed geen gebreken vertoont,
contact met andere bijenvolken beperken.
Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Provinciale Controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt. De PCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het CODA.
Wanneer wordt vastgesteld dat een kast door Amerikaans vuilbroed is aangetast, moet de PCE waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.
Als de monsters positief zijn (sporen bevatten) wordt de besmette kolonie ofwel geruimd ofwel wordt een kunstzwerm gemaakt. Er wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Het is verboden bijen te vervoeren binnen het beschermingsgebied en de andere volken worden onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.
2.2 Europees vuilbroed
Verwekker
Europees vuilbroed is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door Melissococcus plutonius, een niet-sporenvormende bacterie. Alleen jonge larven (tot 2 dagen) zijn er gevoelig voor. Zij worden dan ook zeer snel ziek. De cellen waarin zij zich bevinden hebben geen deksel meer. Poetsende bijen raken besmet en besmetten de larven tijdens het voeden.
Symptomen De volgende symptomen kunnen wijzen op Europees vuilbroed:
gevlekt broedpatroon,
larven worden geelachtig of bruinachtig van kleur,
dode larven verdrogen tot makkelijk te verwijderen schilfers,
min of meer uitgesproken rottingsgeur of azijngeur.
Verspreiding Besmetting kan gebeuren:
door bijen die de cellen poetsen,
door het binnenbrengen van vreemde bijen,
door gebruik van tweedehands materiaal of besmet materiaal.
Preventie en bestrijding Er zijn verschillende manieren om het risico op besmetting te verminderen:
materiaal geregeld ontsmetten,
geen raten en ramen van onbekende oorsprong gebruiken,
de toestand van het broed geregeld controleren,
contact met andere bijenvolken beperken.
Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Provinciale controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt. De PCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het CODA. Als de resultaten positief zijn (ruimen of kunstzwerm) wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.
2.3 Acariose
Verwekker
Acariose (of acarapisose) is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door de Acarapis woodi mijt. Die mijt is een inwendige parasiet die voorkomt in het ademhalingsstelsel van de bij en vooral leeft in de eerste thoraxtrachee van de bij en zich daar vermenigvuldigt. Bijen die nog geen 10 dagen oud zijn, zijn het meest ontvankelijk.
Symptomen
De besmetting wordt pas in een gevorderd stadium zichtbaar, doorgaans vroeg in de lente.
De volgende symptomen kunnen wijzen op acariose:
bijen met gezwollen achterlijf,
bijen die zich vastklampen aan grassprietjes of zich voortslepen,
diarreesporen,
moeilijk vliegen.
Verspreiding De besmetting verspreidt zich via direct contact tussen volwassen bijen.
Preventie en bestrijding
Als de kolonie ervan verdacht wordt aangetast of besmet te zijn, moet de bijenhouder daarvan onmiddellijk aangifte doen bij de Provinciale controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt. De PCE stuurt dan de assistent voor de bijenteelt ter plekke. Die neemt monsters en stuurt ze op naar het CODA. Als de monsters positief zijn, wordt door het FAVV in samenwerking met de burgemeester een beschermingsgebied met een straal van 3 km rond de uitbraak afgebakend. Binnen het beschermingsgebied is het verboden bijen te vervoeren en worden de andere volken onderzocht om eventuele besmettingen te kunnen opsporen. De bijen en het materiaal van de imker mogen het beschermingsgebied niet verlaten.
2.4 Varroase
Verwekker Varroase is een bijenziekte die wordt veroorzaakt door Varroa jacobsoni, een ovaalvormige, bruine mijt met platte buik en rug van 1,3 mm breed en 1,7 mm lang (zichtbaar met het blote oog). Deze mijt is een uitwendige parasiet waarvan de wijfjes zich voeden met het hemolymfe van de bijen. Ze leggen hun eitjes in de broedcellen voordat die worden gesloten. De larven komen daar tot ontwikkeling. Zij tasten bij voorkeur broed van darren aan.
Symptomen De symptomen van varroase zijn:
bijen met verdroogde vleugels, die zich voortslepen, moeilijk vliegen,
verdroogde en dode nimfen in de cel,
gevlekt broedpatroon,
aantreffen van Varroa op larven, in gesloten cellen,
witte puntjes en vlekjes op celwanden (uitwerpselen van Varroa),
grote vatbaarheid voor secundaire ziekten,
trage ontwikkeling van het volk, wegkwijnen.
Verspreiding De besmetting verspreidt zich bij bezoeken van bijen uit andere besmette kasten, door zwermen en via de imker. Af en toe ligt de oorsprong van de besmetting in Varroa die terechtkomen op planten, zoals zonnebloemen.
Preventie en bestrijding De bestrijding is erop gericht de besmetting beneden de schadedrempel te houden. Het controleren van zwermen is een goede preventiemethode. Door het gesloten darrenbroed in mei-juni twee tot drie maal uit te snijden, kan men de Varroa-populatie halveren. Het wegnemen van een kern in mei-juni doet de Varroa–populatie in de moederkolonie met een derde dalen. Het bestrijdingsprogramma tegen Varroa moet dubbel zijn:
zomerbehandeling van 15/07 t/m 31/08 en daarna
naseizoensbehandeling van 01/11 t/m 15/01.
Het is absoluut noodzakelijk dat alle bijenkasten tegelijkertijd behandeld worden.
2.5 Aethina tumida: kleine bijenkastkever.
Verwekker Aethina tumida is een kleine kever, 5 tot 7 mm lang en 3 tot 5 mm breed (1/3 van een bij), bruinrood van kleur vlak na het uitkomen, zwart bij volwassenheid. De roomwitte larven zijn ongeveer 1 cm lang. Zij voeden zich moet broed, stuifmeel, honing. Als ze de maturiteit bereiken, verlaten ze de kast en graven zich in de grond in (10 à 30 cm) waar ze hun gedaanteverwisseling ondergaan.
Symptomen
kleinere oogst,
aangetaste, door de bijen verlaten ramen,
ondergang van het volk,
sterke geur: gistende honing.
Verspreiding De verspreiding gebeurt door:
uitwisseling van bijen in verpakking, zwermen,
ramen,
was,
vruchten,
de grond,
vluchten van volwassen exemplaren over afstanden van soms meer dan 5 km.
Preventie en bestrijding Als de kleine bijenkastkever er eenmaal is, kan hij niet meer worden uitgeroeid.
Bij bezoek aan de bijenstand, Aethina zoeken in de niet-verlichte delen van de kast en in de scheuren met afval dat niet door de bijen wordt verwijderd.
De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd.
Wanneer besmetting van de kast door Aethina wordt vastgesteld, moet de Provinciale Controle-eenheid (PCE) (zie adres in contact) waarvan de bijenstand afhangt, onmiddellijk worden verwittigd.
2.6 Tropilaelaps sp
Verwekker Tropilaelaps is een mijt die bijen uitwendig parasiteert. Tot het geslacht Tropilaelaps behoren twee voor soorten die bij onze bijen ziekten verwekken: clareae en koenigerum.
Die mijten zijn ongeveer 1 mm lang en parasiteren de larven en nimfen. Ze zijn bruinrood van kleur en worden soms aangetroffen op volwassen bijen waar ze slechts 3 dagen kunnen overleven.
Symptomen Uitwendige parasiet die zich voedt met hemolymfe. De symptomen lijken op die van Varroa:
misvormingen aan vleugels, poten en achterlijf,
onregelmatig broed waarin de sterfte kan oplopen tot 50%.
Verspreiding De besmetting gebeurt wanneer koninginnen worden binnengebracht. De verspreiding gebeurt eveneens door volwassen exemplaren. Tropilaelapsmijten zijn erg mobiel en kunnen zich binnen het volk bewegen.
De grootste verspreider is de imker (verplaatsen van volken, ramen, enz…).
Preventie en bestrijding De tropilaelapsmijt kan makkelijk worden onderscheiden van Varroa (breder dan ze lang is en groter), vooral met behulp van een vergrootglas. Omdat Tropilaelaps larven en nimfen aanvalt kan de diagnose makkelijker worden gesteld. Omdat de levenscyclus die van Varroa benadert, kunnen opsporingsmethoden worden toegepast.
Bestrijding is mogelijk bij middel van technieken die bij voorkeur in perioden zonder broed worden toegepast omdat Tropilaelaps zich niet kan voeden op volwassen bijen.
Er moeten voorzorgen worden genomen met betrekking tot het binnenbrengen van nieuwe bijen of het gebruik van tweedehands materiaal. De invoerprocedures moeten nauwgezet worden nageleefd
Wanneer infestatie van een kast door de tropilaelapsmijt wordt vastgesteld, moet de Provinciale Controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt onmiddellijk worden verwittigd.
3 Vergoedingen (KB 7 maart 2007)
In de gevallen waarin het Agentschap de verdelging van kolonies (bij aantasting door vuilbroed) oplegt, kan door het Agentschap aan de bijenhouder een vergoeding worden toegekend van 125 EUR per houten kast of kunststofkast. De formulieren om de vergoeding aan te vragen, moeten worden toegezonden aan de Provinciale Controle-eenheid (PCE) waarvan de bijenstand afhangt.
Varroase: het volledige Belgische grondgebied wordt als infestatiegebied beschouwd. Melden van deze ziekte is niet langer verplicht. Tegen Varroase wordt een georganiseerde bestrijding ingezet (MB 10/08/2007).
Amerikaans vuilbroed:
20/09/2006: 1 haard te 3510 Kermt, opheffing maatregelen op 08/03/2007.
04/10/2006: 1 haard te 9990 Maldegem, opheffing maatregelen op 06/12/2006.
25/10/2006: 1 haard te 8340 Sijsele, opheffing maatregelen op 12/01/2007.
02/01/2007: 1 haard in Luxemburg, opheffing maatregelen.
08/03/2007: 1 haard te 3650 Dilsen-Stokkem, opheffing maatregelen op 05/04/2007.
15/05/2007: 1 haard te 2340 Beerse, opheffing maatregelen.
18/06/2007: 2 haarden te 2340 Beerse, opheffing maatregelen.
19/10/2007: 1 haard te 9800 Deinze, opheffing maatregelen op 04/08/2008.
30/10/2008 : 4 haarden te 5300 Andenne, opheffing maatregelen 24/03/2010.
02/06/2009 : 1 haard te 5300 Andenne, opheffing maatregelen op 24/03/2010.
13/08/2009 : 1 haard te 5640 Mettet, opheffing maatregelen op 16/03/2010.
19/08/2009 : 1 haard te 9790 Wortegem-Petegem, opheffing maatregelen op 13/10/2009.
20/08/2009 : 1 haard te 8501 Bissegem, opheffing maatregelen op 22/03/2010.
Aethina tumida : het Belgische grondgebied is vrij.
Tropilaelapsmijt: het Belgische grondgebied is vrij.
5 Invoer ( Beschikking 2003/881/EG)
De invoer van bijen en hommels is toegestaan mits tegelijk aan de volgende drie eisen is voldaan:
ze zijn afkomstig uit derde landen die voldoen aan de veterinairrechtelijke basisvoorwaarden (lijst in Beschikking 79/542/EEG),
de zendingen gaan vergezeld van een gezondheidscertificaat dat in overeenstemming is met het model en voldoen aan de in dat model genoemde garanties,
de zendingen bevatten per koninginnenkast niet meer dan één koningin met maximaal twintig voedsters.
Er zijn uitzonderingen mogelijk. Die zijn vermeld in Beschikking 2003/881/EG
6 Registers (KB 14 november 2003)
Bijenhouders moeten registers bijhouden waarin het volgende wordt vermeld:
de aard en de oorsprong van dierenvoeders;
de toegediende diergeneesmiddelen of andere behandelingen die de dieren hebben ondergaan, met inbegrip van de data van toediening of behandeling en de wachttijden;
de aanwezigheid van ziekten die de veiligheid van de producten van dierlijke oorsprong in het gedrang kunnen brengen;
de voor de volksgezondheid belangrijke resultaten van analyses van bij de dieren genomen monsters of van andere voor diagnosedoeleinden genomen monsters;
alle toepasselijke controles van dieren of producten van dierlijke oorsprong.
Bijenhouders moeten de registers gedurende ten minste vijf jaar bewaren en de relevante informatie in deze registers desgevraagd ter beschikking stellen van het Agentschap, van de gewestelijke overheden en van de ontvangende exploitanten van agro-voedingsbedrijven.
7 Toediening van geneesmiddelen en diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding
7.1 Toediening van geneesmiddelen (KB 23/05/ 2000)
De bijenhouder moet op ieder ogenblik het verwerven, het bezitten en het toedienen van geneesmiddelen, die voorschriftplichtig zijn, kunnen verantwoorden.
Hij moet de voorschriften en/of toedienings- en verschaffingsdocumenten in chronologische volgorde en doorlopend genummerd gedurende 5 jaar bewaren.
De hoeveelheid geneesmiddel die de bijenhouder in zijn bezit heeft mag niet groter zijn dan de hoeveelheid die nodig is voor een behandeling van 5 dagen. Hierop bestaat een uitzondering in samenhang met de diergeneeskundige bedrijfsbegeleiding (zie 2.7.2).
7.2 Toediening van geneesmiddelen (K.B. van 23/05/2000 en van 10/04/2000)
De bijenhouder die een beroep doet op een begeleidende dierenarts mag beschikken over een geneesmiddelenvoorraad voor 2 maand, afgeleverd door deze dierenarts.
Hij verantwoordt dagelijks in een register het gebruik van alle geneesmiddelen die werden toegediend aan bijen waarvan de honing bestemd is voor consumptie.
De geneesmiddelen moeten door de verantwoordelijke voor de dieren worden bewaard in hun primaire verpakking.
8 Piloot bewakingsprogramma voor bijenziekten 2012-2013 (Nieuw)
Naar aanleiding van de alarmerende berichten aangaande de bijengezondheid, zowel in Europa als op wereldvlak, stelde de Europese Commissie op 1 april 2011 het Franse laboratorium ANSES aan als Europees referentielaboratorium (EURL) voor de bijengezondheid. Hoofdtaak van ANSES is het oprichten van een netwerk van nationale referentielaboratoria met als doel representatieve en vergelijkbare data inzake bijengezondheid voor de gehele Europese Unie te bekomen. Hiertoe werd een vrijwillig piloot bewakingsprogramma voor bijenziekten ontwikkeld waaraan ook België zal deelnemen. De pilootstudie zal uitgevoerd worden in de periode 2012-2013.
In België bestaat momenteel geen actief bewakingsprogramma voor bijenziekten. Derhalve zijn momenteel weinig representatieve data inzake bijengezondheid voor het volledige Belgische grondgebied voor handen. Door middel van een goed gespreide monitoring over gans België hoopt men belangrijke informatie over de gezondheidstoestand van de bijen te bekomen.
8.1. Details Belgisch piloot programma
De Belgische pilootstudie omvat 3 bezoekreeksen aan 150 imkers. Per provincie zullen 15 geregistreerde imkers driemaal bezocht worden: een eerste maal in het najaar 2012, een tweede maal tijdens het vroege voorjaar 2013 en een laatste maal tijdens de zomer 2013.
Elk bezoek zal 2 luiken omvatten: een gedeelte monsterneming voor verder labo-onderzoek en een gedeelte verzameling van specifieke informatie door middel van bevraging van de imker.
Tijdens het eerste bezoek zal steeds een standaardmonster van 1 kast (min. 100 ‘kastbijen’) genomen worden voor analyse op 4 pathogenen: Varroa destructor, Tropilaelapsmijt, Deformed Wing Virus (DWV) en Acute Bee Paralysis Virus (ABPV). Daarnaast worden bij elk bezoek bijkomende stalen genomen, indien bepaalde ziektesymptomen worden vastgesteld. Deze stalen zullen geanalyseerd worden op ziektes zoals Amerikaans en Europees vuilbroed (P. larvae en M. plutonius), nosemose (N. apis en N. ceranae), acariose (A. woodi), Chronic Bee Paralysis Virus (CBPV), enz.
Doel van dit luik is een idee van de prevalentie van bepaalde ziekteverwekkers bij bijen te bekomen.
Luik 2 van het programma bestaat uit het registreren van gegevens aangaande productie, management, veterinaire behandelingen, enz. door middel van een gestandaardiseerde vragenlijst.
Doel hiervan is mogelijke verzwakking en/of sterfte van bijenkolonies in kaart te brengen, zowel tijdens de winter als tijdens het honingseizoen.
In dit kader zal de imker ook verzocht worden om, eventueel met behulp van de inspecteur, de COLOSS-enquête in te vullen. Deze enquête kwam tot stand in het kader van een onderzoeksproject naar verlies van bijenkolonies, waaraan wetenschappers uit meer dan 45 landen meewerken. Door de COLOSS-enquête in te vullen, wordt waardevolle informatie teruggekoppeld naar dit onderzoeksproject, dat mede gefinancierd wordt door de Europese Commissie.
De imkerbezoeken zullen uitgevoerd worden door inspecteurs-dierenartsen van het Agentschap, bijgestaan door assistenten voor de bijenteelt.
Het piloot bewakingsprogramma wordt uitgewerkt door het FAVV in samenwerking met het Laboratorium voor Zoofysiologie van de UGent en de Faculteit Gembloux Agro-Bio Tech van de ULg. Het CODA coördineert het programma als nationaal referentielaboratorium voor de bijenziekten.
Een eerste communicatie met de sector vond plaats op 14 oktober 2011. Hierbij werden de krijtlijnen van het piloot bewakingsprogramma voorgesteld. Het Agentschap zal op regelmatige basis communiceren met de sector over de resultaten van het programma. Ook het EURL ANSES zal op geregelde tijdstippen overkoepelende resultaten bekend maken.
8.2. Verdere evolutie
Het FAVV beschouwt het piloot bewakingsprogramma als de ideale gelegenheid om een bewakingssysteem voor de bijengezondheid voor het volledige Belgische grondgebied op punt te zetten. Praktische details aangaande o.a. staalneming, labo-analyses, enz. kunnen verder uitgewerkt en geperfectioneerd worden binnen de scope van het piloot programma.
Afhankelijk van de uitkomst van deze pilootstudie voorziet de Europese Commissie de mogelijkheid om eventueel een meer structureel bewakingsprogramma voor bijenziekten op te starten op permanente basis. De sector zal steeds geconsulteerd worden bij de uitwerking van mogelijk toekomstige bewakingsprogramma’s voor bijenziekten. De resultaten van het huidig programma zullen bepalen in hoever in een later stadium de scope van het programma dient aangepast te worden.
Laastste update: 27.10.2011
De (Belgische) gecoördineerde wettelijke en reglementaire teksten zijn onder andere beschikbaar onder die link.