1. Hoe komen vreemde stoffen in onze voeding terecht ?
Vreemde stoffen kunnen via volgende vier wegen in onze voeding terechtkomen :
Als restanten van een behandeling tijdens de teelt of bij de kweek. Daarbij gaat het om residu's van gewasbeschermingsmiddelen die op de planten kunnen achterblijven. Anderzijds kunnen er bij de behandeling van dieren met dierengeneesmiddelen residu's in het dier achterblijven. Door externe besmetting met ongewenste stoffen die via het milieu (grond, lucht, water) of via de voedingsbestanddelen in plant of dier terechtkomen. Een plant die in cadmiumrijke grond wordt geteeld bijvoorbeeld. Tengevolge van de bewuste toevoegingen (vooral de additieven) om bijvoorbeeld de bewaarbaarheid, de kleur enz. van het voedsel te verbeteren.
Stoffen die van nature steeds in de plant aanwezig zijn maar in specifieke situaties in overmaat kunnen worden opgenomen (bv. nitraten) of stoffen die op de plant gevormd kunnen worden (bv. mycotoxinen).
2. Wat zijn gewasbeschermingsmiddelen ?
Gewasbeschermingsmiddelen zijn producten gebruikt ter bestrijding van de vijanden van de landbouwgewassen. In de volksmond worden ze ook dikwijls pesticiden genoemd, alhoewel dit begrip meer omvat dan enkel de gewasbeschermingsmiddelen. De drie belangrijkste groepen zijn:
Gewasbeschermingsmiddelen zijn in de eerste plaats middelen die moeten voorkomen dat planten ziek worden of vroegtijdig afsterven door het optreden van ziekten en plagen. Precies zoals de onoordeelkundige toepassing van geneesmiddelen bij de mens schadelijke gevolgen kan hebben (bv. doping), kunnen bij onoordeelkundig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen eveneens neveneffecten optreden.
3. Waarom gebruikt de land-en tuinbouw gewasbeschermingsmiddelen? Zijn er geen alternatieven ?
Voor zijn voeding is de mens aangewezen op de natuur. Om te overleven en gelet op de enorme groei van de wereldbevolking is de mens verplicht zelf planten - en ook dieren - te kweken om in zijn levensbehoeften te voorzien. Ziekten en plagen gooien regelmatig roet in het eten. Gevolg: hongersnood en massale sterfte bij de bevolking. Een pestepidemie bij dieren of een mislukte aardappeloogst gaf aanleiding tot hongersnood. Om de landbouwgewassen te beschermen tegen deze ziekten en plagen worden gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Dit heeft geleid tot een hogere voedselproductie en dus tot een terugdringen van tekorten. Het werd echter geen volledig succesverhaal. De keerzijde van de medaille is de vaststelling dat gewasbeschermingsmiddelen schadelijk kunnen zijn voor mens, dier en milieu. Het meest gekende voorbeeld is zeker DDT.
Eens geprezen als een wondermiddel werd het op basis van verder wetenschappelijk onderzoek in Europa verboden. Stukje bij beetje kwam een wetgeving tot stand die zeer strenge normen oplegde alvorens een product in de handel mocht komen. De toelatingsprocedures zijn vergelijkbaar met deze van geneesmiddelen. Naast de onmiddellijke toxiciteit (giftigheid) wordt ook zo veel mogelijk het effect op het milieu onderzocht.
De stelregel luidt: wat niet uitdrukkelijk wettelijk toegelaten is, is verboden. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen werd nauwkeurig gereglementeerd en verder wetenschappelijk onderzoek helpt in de zoektocht naar zo laag mogelijke doses en oordeelkundig gebruik. De producten hebben een diepgaande evolutie doorgemaakt: niet alleen is hun werking vandaag doelgerichter, maar ze breken doorgaans ook veel sneller af. Bovendien neemt de professionalisering van de landbouwers toe die steeds meer volgens de Code van de Goede Landbouw Praktijken werken. Officiële en privécontrolediensten laten vaker stalen analyseren op residugehalten door erkende laboratoria. Kortom de landbouw is verplicht omzichtiger om te springen met gewasbeschermingsmiddelen. Hoogtechnologische waarschuwingssystemen steken een handje toe. Zij registreren nauwkeurig de aanwezigheid van vijanden en plagen en pas wanneer die aanwezigheid een drempel overschrijdt, schiet de producent in actie. Er wordt dus beduidend minder blind "preventief" of "volgens de kalender" gespoten. Het spuiten gebeurt gerichter en wordt tot een minimum beperkt. Bovendien worden de spuitmachines technisch steeds beter en die verfijning zorgt ervoor dat met minder chemisch product toch het gewenste effect bereikt wordt. Dat is niet alleen goed voor het milieu maar ook voor de portemonnee van de producent die minder vaak moet spuiten en kan sparen op dure chemische middelen. Los daarvan zijn er ook alternatieven opgedoken. Zo worden natuurlijke vijanden van schadelijke insecten ingezet in serres én bij de vollegrondsteelten. Dit noemt men de 'geïntegreerde productie- methode 'met aanzienlijk minder inbreng en in bepaalde gevallen zelfs uitsluiting van chemische middelen. Dit is onder meer goed ingeburgerd in de fruitteelt. Ook bij teelten onder glas van vruchtgroenten (tomaten, paprika) gebruikt men veelvuldig geïntegreerde gewasbescherming. Die aanpak geniet actieve steun vanwege de overheid en kent een zeker succes maar is tot dusver niet in elke teelt toe te passen. De biologische landbouw trekt die lijn volledig en consequent door. Chemische gewasbeschermingsmiddelen worden er grotendeels geweerd. De biologische landbouw levert echter meestal een lagere productie op en is arbeidsintensiever.
4. Zijn er residu 's van gewasbeschermingsmiddelen op de voedingsmiddelen ?
In onze voeding kunnen groenten, fruit en granen op het veld en soms ook wel na de oogst behandeld worden met gewasbeschermingsmiddelen, bv. bij het bewaren van citrusvruchten of om kieming tegen te gaan bij aardappelen. Dit impliceert dat een gewas, wanneer het als voedingsmiddel aan de consument wordt aangeboden, eventueel nog resten (residu's) van gewasbeschermingsmiddelen zou kunnen bevatten.Er gelden maximale residugehalten die in voedingsmiddelen aanwezig mogen zijn (zie ook volgende vraag). De jarenlange bewakingsprogramma's van de overheid leveren interessante resultaten op. Globaal kan gesteld worden dat ongeveer op 50 % van de plantaardige voedingsmiddelen (groenten, fruit, aardappelen en granen) geen enkel residu wordt teruggevonden. Voor de producten waarop er wel teruggevonden worden, wordt meestal geen overschrijding van de norm vastgesteld. Ze zijn bijgevolg conform de wetgeving. Zo worden er zeer weinig overschrijdingen vastgesteld bij b.v. bloemkool, bonen, witloof, aardappelen, appelen, aardbeien, bananen en kiwi. De meeste overtredingen zijn terug te vinden bij de bladgroenten, selder, druiven en perziken
.5. Kunnen residu 's van gewasbeschermingsmiddelen gevaarlijk zijn voor de gezondheid ?
Neen volgens de huidige kennis van zaken , indien de producten erkend zijn en ze volgens de voorschriften worden gebruikt. Het basisprincipe luidt dat voedingstoffen geen residu's mogen bevatten die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid van de consument. Alvorens gewasbeschermingsmiddelen in de handel komen, ondergaan ze tal van toxicologische tests uitgevoerd op meerdere diersoorten. Hieruit wordt dan de dosis afgeleid die bij de meest gevoelige diersoort voor de gevoeligste parameter nog net niet toxisch (giftig) is. Dan spreekt men over een zogenaamde NOEL (No Observed Effect Level). Vertrekkende van deze dosis die geen enkel effect veroorzaakt bij het dier, gaat men een waarde bepalen voor de ADI (Aanvaardbare Dagelijkse Inname) bij de mens. De ADI wordt beschouwd als de maximale hoeveelheid die de mens elke dag van zijn leven mag innemen zonder effect op zijn gezondheid. Meestal wordt die vastgesteld op een honderdste van de NOEL vastgelegd voor proefdieren en in bepaalde gevallen nog lager. Deze veiligheidsmarge is nodig om het risico af te dekken dat de mens gevoeliger kan zijn aan het gewasbeschermingsmiddel dan het dier. Op basis van het consumptiepatroon van de mens en de hoeveelheden residu's die verondersteld worden op de voedingsmiddelen aanwezig te zijn, is het mogelijk de hoeveelheden te bepalen die door de consument zullen ingenomen worden. Deze werkelijk ingenomen hoeveelheden mogen in geen geval hoger zijn dan de ADI. Indien er een potentieel gevaar bestaat dat deze hoeveelheden overschreden worden dan verleent de overheid geen toelating tot het op de markt brengen van het product. De risico's van residu's voor de volksgezondheid kunnen vooral voortkomen van het gebruik van niet toegelaten producten, of van het aanwenden van te hoge doses of te korte wachttijden bij gebruik van erkende producten. Om een verkeerd en illegaal gebruik van de gewasbeschermingsmiddelen af te raden, werden wettelijke MRG's (Maximale Residugehaltes) vastgesteld voor de voedingsmiddelen, en worden deze MRG's voortdurend gecontroleerd. Uitgebreide studies hebben aangetoond dat de ADI-waarden in de realiteit in België niet overschreden worden. De consument loopt dus, volgens de huidige kennis van zaken, geen gevaar op bepaalde chronische risico's ten gevolge van residu's van gewasbeschermingsmiddelen. Vergelijkbaar met de ADI, die een drempelwaarde is voor chronische risico's, wordt sinds enkele jaren een acute referentiedosis (ArfD) voor acute toxische stoffen vastgelegd. Deze ArfD wordt op dezelfde manier vastgesteld als de ADI maar weliswaar voor een kortstondige blootstelling. Bij acuut gevaar worden voedingsmiddelen vernietigd, zoals bijvoorbeeld tijdens de perencrisis in 1999.
6. Mogen gewasbeschermingsmiddelen zomaar gebruikt worden ?
Neen,het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is strikt gereglementeerd. De Europese richtlijnen die de basis vormen, zijn in nationale reglementering omgezet; nl via het koninklijk besluit van 28 februari 1994 'betreffende het bewaren, op de markt brengen en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen voor landbouwkundig gebruik'. Sindsdien is die wetgeving verfijnd en aangevuld. In het koninklijk besluit (KB) is de lijst opgenomen met de toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en met de voorwaarden waaronder deze mogen worden gebruikt. Hetzelfde KB vermeldt verder de regels voor fabricage, de verpakking, de etikettering en de te nemen veiligheidsmaatregelen bij gebruik. De wetgeving regelt tevens heel nauwkeurig de controles. Voor elk erkend product wordt in de herkenningsakte de teelt, de dosis, het tijdstip van toedienen, de wachttijd voor het oogsten e.d. vastgelegd. Andere beperkingen slaan bvb. op het verbod bepaalde producten te gebruiken in de nabijheid van water of op afstandregels.
7. Hoe probeert de landbouw het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in te perken ?
Gewasbeschermingsmiddelen zijn een wezenlijke hulp voor een goede oogst. Keerzijde van de medaille is de mogelijkheid dat ze residu's in de voeding achterlaten en hun prijs. Een producent zal dus niet voor zijn plezier erop los spuiten. Dankzij wetenschappelijk onderzoek zijn de producten ook verfijnd. De gewasbeschermingsmiddelen worden steeds meer selectief, steeds giftiger voor een specifieke groep vijanden en minder giftig voor de mens, en zijn door de natuur sneller afbreekbaar. Bovendien kan de producent steeds vaker een beroep doen op hoogtechnologische systemen die hem waarschuwen wanneer en waar hij precies moet ingrijpen. De Code voor de Goede Landbouw Praktijken draagt eveneens bij tot een terugdringen van chemische middelen. Dit gebeurt op vrijwillige basis door de producent (autocontrole). Daarnaast wordt in steeds meer teelten gewerkt met lastenboeken waarin het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beperkt wordt.
Ook de spuitmachines hebben een grote evolutie ondergaan en laten precisiespuiten toe. De goede werking van de spuitmachines die de fruitteelt en akkerbouw gebruiken, wordt in opdracht van de overheid sinds 1 september 1995 om de 3 jaar systematisch gecontroleerd. Een gekleurde sticker geeft aan dat het toestel beantwoordt aan de normen