| Maatregelen
Als in het kader van het monitoringsprogramma of na een melding uit het buitenland, een partij aardappelen besmet wordt verklaard, stelt het FAVV een onderzoek in om de herkomst en verspreiding ervan in kaart te brengen. Het bepalen van het statuut van een partij of een perceel gebeurt aan de hand van beslissingsbomen (zie hieronder). In deze schema's staat B voor besmet, WB voor waarschijnlijk besmet en V voor vrij.
Alle partijen die in het kader van het onderzoek naar aanleiding van een besmetting als "waarschijnlijk besmet" worden verklaard worden getest. Als de test positief is, worden ook deze partijen "besmet" verklaard; als de test negatief is blijven zij "waarschijnlijk besmet" omdat niet uitgesloten kan worden dat ze latent geïnfecteerd (besmetting kan niet altijd gedetecteerd worden bij een zeer lage besmettingsgraad) zijn.
De maatregelen die gelden voor besmette, waarschijnlijk besmette en andere partijen en percelen staan kort weergegeven in onderstaande overzichten.
De maatregelen staan uitgebreid beschreven in het document
Wetgeving
- MB van 3 november 1994 betreffende de bestrijding van aardappelringrot (Clavibacter michiganensis (Smith) Davis et al. spp. sepedonicus (Spieckerman et Kottkoff) Davis et al.) (BS 15/12/1994)
gewijzigd bij MB van 23 maart 2007

Bruinrot (Ralstonia solanacearum)
Beschrijving
Bruinrot wordt veroorzaakt door de bacterie Ralstonia solanacearum. Ras 3, dat in onze streken voorkomt, treft vooral aardappelen en tomaten en is weinig virulent ten aanzien van andere nachtschadeachtigen. Dit ras vertoont een optimale ontwikkeling bij een lagere temperatuur (27°C) dan de andere twee rassen (R1 en 2). Andere waardplanten zijn de onkruiden S. dulcamara, S. nigrum. De bacterie werd ook vastgesteld in teelten van Pelargonium hortorum.
Symptomen op het loof :
Het eerste zichtbare symptoom is de verwelking van het loof aan de uiteinden van de stengels bij hoge temperaturen overdag met herstel gedurende de nacht; uiteindelijk herstellen de planten niet meer en sterven ze af. Naarmate de ziekte zich verder ontwikkelt, kan op de stengels een lineaire bruine verkleuring worden vastgesteld vanaf een hoogte van 2,5 cm boven de grond waarbij het loof bronskleurig wordt. Daarnaast kan epinastie van de bladstelen voorkomen. Uit afgebroken of doorgesneden vaatbundels treedt wit bacterieslijm naar buiten. Dat slijm verschijnt spontaan op het oppervlak van een afgebroken aardappelstengel ; het vormt slijmdraden als de stengel in een bekerglas met water wordt gezet. Dergelijke draden worden niet gevormd door andere bacteriën die aardappelziekten verwekken. Aan de hand van deze test kan dus in de praktijk een vermoedelijke diagnose worden gesteld.

Symptomen op de knollen :
Er kunnen al dan niet uitwendige symptomen voorkomen, al naargelang van de mate van ontwikkeling van de ziekte; die symptomen lijken bovendien sterk op die van ringrot (Clavibacter michiganensis ssp. sepedonicus). R. solanacearum onderscheidt zich doordat vaak bacterieslijm naar buiten treedt uit de ogen en uit de naveleinden van besmette knollen. Als dat slijm opdroogt, blijft ter hoogte van de ogen grond aan de knol kleven. Als de besmette knollen worden doorgesneden, merkt men een necrose en bruinverkleuring van de vaatbundelring en het omliggende weefsel tot 0,5 cm rondom de ring. Doorgaans treedt een roomkleurig bacterieslijm uit de vaatbundelring naar buiten op het snijvlak. Als men de knol aandrukt, treedt een hoeveelheid ontbonden geel vaatweefsel en bacterieslijm naar buiten. Planten met door R. solanacearum veroorzaakte bladsymptomen kunnen gezonde knollen hebben en planten die geen symptomen van de ziekte vertonen kunnen toch besmette knollen hebben.
Verspreiding
De zgn.« lage temperatuur»-stammen die tot ras 3 behoren komen voor in Noord-Europa en in het Middellandse Zeebekken waar zij aangepast zijn aan koelere temperaturen. In tegenstelling tot het Middellandse Zeegebied waar de bacteriën grote schade kunnen aanrichten, blijven zij in de Noord-Europese landen latent aanwezig en veroorzaken er maar weinig teeltschade (gemiddelde temperatuur in de winter < 10°C).
Anderzijds vormt de grote veranderlijkheid van de soort die bestaat uit meerdere rassen en stammen met een al naargelang van de milieuomstandigheden verschillende virulentie een groot gevaar voor de productie van aardappelen en tomaten in Europa en rond de Middellandse Zee.
In de natuur verloopt de verspreiding van de bacteriën doorgaans traag. Ras 3 kan echter makkelijk worden verspreid via het oppervlaktewater bij aanwezigheid van Solanum dulcamara (biterzoet), een plant die optreedt als reservoir waarin de bacterie in de winter kan overleven en zich daarna in de zomer kan vermeerderen. Besmet oppervlaktewater kan de infectie verspreiden via beregening en, in mindere mate, via de toediening van bestrijdingsmiddelen of nog bij overstroming van aardappelvelden. Het optreden van nieuwe besmettingen hangt meestal samen met het binnenbrengen van pootgoed waarin de ziekteverwekker in latente toestand aanwezig is.

Mogelijkheden op het vlak van bestrijding
Er bestaat geen middel voor een rechtstreekse bestrijding. De grote genetische veranderlijkheid van de ziekteverwekker bemoeilijkt het uitwerken van strategieën die steunen op het gebruik van bestendige rassen. Rassen kunnen maar een gedeeltelijke bestendigheid vertonen en tolerante rassen beletten de vermenigvuldiging van de ziekteverwekker niet. De bestrijding steunt dus hoofdzakelijk op preventieve maatregelen : gecertificeerd pootgoed gebruiken, pootaardappelen niet doorsnijden, niet beregenen met oppervlaktewater, zorgen voor een goede teeltwisseling en opslagplanten vernietigen, onkruid onder controle houden, machines, vervoermiddelen, materieel en lokalen schoonmaken en ontsmetten, …
Dat de bacterie in latente toestand overleeft, bemoeilijkt het bedenken van bewakingssystemen. De efficiëntie daarvan berust immers in ruime mate op een systematische bemonstering van partijen. Bij middel van bewakingsmaatregelen (jaarlijkse analyseprogramma’s) kan de afwezigheid van bacteriën worden nagegaan en kunnen deze, bij besmetting, vroegtijdig worden opgespoord zodat ze snel en volledig kunnen worden uitgeroeid.
Situatie in België
In België werden de eerste uitbraken van bruinrot vastgesteld in 1989. Sindsdien werd een beschermingsgebied afgebakend en werden reglementaire maatregelen getroffen om verspreiding van de ziekte tegen te gaan (MB van 14/02/2000). Het beschermingsgebied omvat 42 gemeenten, ongeveer 200 landbouwbedrijven en 2000 ha aardappelen.
De maatregelen bestaan vooral in het volgende :
- verbod om gastheerplanten te beregenen met oppervlaktewater,
- monitoring van dat oppervlaktewater,
- verplichte aangifte van alle aardappelteelten vóór 30 april om het FAVV in staat te stellen een eventueel optreden van de bacterie te controleren.
Dank zij deze bepalingen en het permanente toezicht dat door het Agentschap op het hele Belgische grondgebied wordt uitgeoefend, werd de jongste jaren geen enkele besmetting van pootaardappelen meer vastgesteld. Het laatste geval van besmetting in België werd vastgesteld in 2005 toen een kleine teelt van consumptieaardappelen besmet was.
Maatregelen bruinrot in de provincies Antwerpen en Limburg: MB 14/02/2000 (01/04/2010)
Wetgeving
- MB 14/02/2000 tot vaststelling van maatregelen om te beletten dat Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. zich verspreidt (BS 02/03/2000)
- MB 30/08/1999 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. (BS 19/10/1999)
Gewijzigd bij MB 20/03/2007 (BS 30/03/2007)
- Richtlijn 2006/63/EG van commissie van 14 juli 2006 tot wijziging van de bijlagen II tot en met VII bij Richtlijn 98/57/EEG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al.

Toezicht op de aanwezigheid van bruinrot en ringrot bij aardappelen
Het Agentschap voorziet in een permanent toezicht op de aanwezigheid van de bacteriën die bruinrot en ringrot veroorzaken, zoals dat is voorgeschreven in de Europese richtlijnen. De controles worden uitgevoerd door de Gewesten (pootaardappelen) en door het FAVV (consumptieaardappelen). De monsters worden naar het laboratorium van het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek in Merelbeke) of naar CORDER (Louvain-La-Neuve) gebracht waar ze worden onderzocht op de aanwezigheid van ringrot en bruinrot.
De efficiëntie van de maatregelen tot uitroeiing van de bacteriën die ringrot en bruinrot veroorzaken werd bevestigd na drie jaar van intensieve prospecties die werden opgezet in aansluiting op de in 2003 vastgestelde besmettingen. Als gevolg daarvan kon de intensiteit van de bemonsteringen van inlandse producties in overleg met de vaksector in 2006 worden verminderd. De Belgische arealen gecertificeerde pootaardappelen en bewaaraardappelen bedroegen toen respectievelijk 2.561 ha en 64.273 ha. Van de oogsten werden respectievelijk 2283 en 656 monsters genomen. Daarnaast werden ook 74 monsters van hoevepootgoed onderzocht (2 monsters van elke partij). Alle analyseresultaten waren negatief : de gezondheidstoestand van de nationale productie blijkt dus uitstekend te zijn. Verder werden nog respectievelijk 185 en 182 monsters genomen van uit andere landen afkomstige partijen pootgoed dat bestemd was voor de productie van consumptieaardappelen en partijen consumptieaardappelen: er werd geen enkele besmetting vastgesteld.
|